toevoegen toe·voe·gen werkwoord ik voeg toe, jij/u voegt toe, voeg jij toe?, hij/zij/het voegt toe, wij voegen toe, jullie voegen toe, zij voegen toe, ik voegde toe, jij/u voegde toe, hij/zij/het voegde toe, wij voegden toe, jullie voegden toe, zij voegden toe, hij/zij/het heeft toegevoegd 1: iemand of iets ergens aan toevoegen iemand ergens bij plaatsen of iets ergens bij doen: voeg een snufje zout toe, er werd een nieuwe leerling aan onze groep toegevoegd 2: iemand iets toevoegen iets op een onvriendelijke manier tegen iemand zeggen