
"Het wordt morgen vijftien graden". Heb je je wel eens afgevraagd wat dat eigenlijk inhoudt: graden? Hier lees je van alles over temperatuur, de thermometer en temperatuurschalen.
Temperatuur
Temperatuur is een maat voor hoe warm of koud iets is. Natuurkundig gezien is het de hevigheid van de thermische beweging van atomen en moleculen, uitgedrukt in een getal. In de diepst denkbare kou (het nulpunt van de absolute temperatuurschaal) liggen alle atomen en moleculen bijna stil. Wordt het warmer, dan gaan de atomen en moleculen harder trillen. In gassen en vloeistoffen gaan ze tegen elkaar botsen. Veel stoffen veranderen bij stijgende temperaturen. Ze smelten van vast naar vloeibaar of ze verdampen van vloeibaar naar gasvormig. IJs wordt bijvoorbeeld water als het warm wordt. En bij nog hogere temperaturen verandert water in waterdamp.
Thermometer
De temperatuur wordt gemeten met een thermometer. De Italiaanse wiskundige Galileo Galilei vond in 1593 de eerste thermometer (een thermoscoop) uit. De natuurkundige Cornelis Drebbel maakte in 1612 zo’n zelfde soort instrument. Daardoor wordt hij ook wel genoemd als uitvinder van de thermometer. De Duitse natuurkundige Gabriël Daniël Fahrenheit (1686-1736) maakte als eerste een gemakkelijk afleesbare thermometer. Om temperaturen aan te geven zijn temperatuurschalen vastgesteld. In Europa wordt vooral de temperatuurschaal van Celsius gebruikt. Nul graden Celsius komt overeen met het smeltpunt van water. En honderd graden Celsius is het kookpunt van water. In Engelstalige landen gebruiken ze de temperatuurschaal van Fahrenheit en in de wetenschap de absolute temperatuurschaal van Kelvin.