
Vanaf de zeventiende eeuw heeft Nederland meegedaan aan de slavenhandel. Vanuit Afrika werden de slaven naar Amerika vervoerd. In de Nederlandse kolonie Suriname werkten veel slaven. Ze werden heel slecht behandeld.
Uit Afrika
De meeste slaven kwamen uit Afrika. Afrikaanse stammen voerden soms oorlog met elkaar. Daarbij werden gevangenen gemaakt. Die werden vaak verkocht aan slavenhandelaren. De handelaren brachten hun ‘koopwaar’ naar de kust. Europese handelaren kochten daar de slaven. Ze werden dan per schip naar Amerika gebracht. Ongeveer twaalf miljoen mensen zijn in 250 jaar als slaaf weggevoerd.
West-Indische Compagnie
Een schip kon wel drie- tot zeshonderd slaven vervoeren. De slaven kregen weinig te eten. Velen werden onderweg ziek of gingen dood. De overgebleven slaven werden verkocht. Ze moesten werken op plantages. Dat zijn grote landerijen waar suiker, koffie of katoen werd verbouwd. Vanaf 1621 deden de Nederlanders mee aan de slavenhandel. Toen werd de West-Indische Compagnie opgericht.
Nederlandse koloniën
In 1667 vestigden Nederlanders zich in Suriname. Langs de rivieren werden suikerrietplantages aangelegd. De plantagehouders hadden arbeidskrachten nodig. Ze kochten veel slaven. Deze moesten hard werken en werden vaak heel slecht behandeld. In het Caribisch gebied had ons land sinds 1630 ook koloniën. Dat waren de Antilliaanse eilanden zoals Aruba, Bonaire en Curaçao. Daar moesten slaven werken in de zoutwinning.
Verzet
Slaven hadden een slecht leven. In Suriname vluchtten veel slaven het oerwoud in. Daar woonden zij in dorpjes bij elkaar. Steeds meer mensen in Europa waren tegen slavernij. In Nederland werd de slavernij op 1 juli 1863 verboden. In Groot-Brittannië al in 1814. Nederlandse slavenhandelaars hadden toen al heel veel geld verdiend. Ze konden er mooie buitenhuizen van laten bouwen.