
Vroeger leerden maar weinig mensen schrijven. Het waren vooral monniken en priesters die dat konden. Zij gebruikten de taal van de kerk, het Latijn.
Een van de oudste teksten in het Nederlands‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thui, wat unbidan we nu?’ Dit betekent: ‘Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu.’ Dit is een liefdesliedje in het Nederlands. En één van de oudste stukjes tekst in onze taal die bewaard zijn gebleven. Daarom is het zo bijzonder. Het werd rond het jaar 1100 opgeschreven.
Overschrijven Vroeger werden alle boeken met de hand geschreven in het Latijn. Dat was de taal van de kerk. Een nieuw exemplaar moest worden overgeschreven. Het drukken was nog niet uitgevonden. Er werd meestal geschreven op perkament. Dat is papier gemaakt van dierenhuid. Een ganzenveer diende als pen en werd in inkt gedoopt. Monniken deden al dat schrijfwerk. Hoe langzaam dat ging, zie je in het filmpje.
Ganzenveer Zo’n ganzenveer werd wel eens bot en moest geslepen worden. Daarna moest eerst geprobeerd worden of hij wel goed schreef. Wat doe je dan? Dan schrijf je het eerste op wat je te binnen schiet. Waarschijnlijk heeft een monnik dit liefdesliedje toen opgeschreven. Het was misschien een liedje uit zijn jeugd. Hij schreef het op de achterpagina van een boek waarmee hij bezig was.
Ridderromans
Na 1100 gingen men vaker in de gewone taal schrijven. Hendrik van Veldeke was een schrijver van ridderromans. Die gingen over de heldendaden van prinsen en koningen. Zijn romans waren heel populair. Ze werden veel voorgedragen in de kastelen van adellijke families.
Eenheidstaal In het begin schreef niet iedereen het Nederlands op dezelfde manier. Dat moest groeien. Pas vele eeuwen later ontstond er een eenheidstaal. Toen schreven geleerde mensen de regels van de spelling op. Aan het einde van de dertiende eeuw was het nog niet zo ver. De monnik Melis Stoke schreef toen wel een spannend verhaal. Het ging over de moord op Floris V.