
Op 10 augustus 1566 begon de Beeldenstorm. Boze gelovigen bestormden de gebouwen van de katholieke kerk. Ze waren teleurgesteld in de katholieke kerk en wilden protestants worden. De protestantse godsdienst was echter verboden.
Vernieling
Overal in het land drongen protestanten kerken binnen. Ze maakten alles kapot wat ze zagen. Allereerst de heiligenbeelden. Maar ook schilderijen, kerkelijke boeken en orgels. Dat was allemaal niet nodig, vonden zij. Ze wilden een eenvoudig ingerichte kerk. Waar ze hun eigen diensten konden houden. Om het woord van God ging het en om niets anders. Een voorganger las voor uit de Bijbel in hun eigen taal. En legde uit wat het betekende.
Teleurstelling
Veel mensen waren teleurgesteld in de katholieke kerk. Kerkdiensten waren in het Latijn. Een taal die de meeste mensen niet verstonden. En er werden beelden van heiligen vereerd. In de Bijbel stond dat dit niet mocht. In de katholieke kerk kon je straf voor slechte daden afkopen met geld. Protestanten vonden dat dit niet kon. Alleen God kon vergeving schenken. Daarom moest je veel bidden. Veel katholieke geestelijken leefden in rijkdom. Ze namen het er goed van en dachten niet aan de armen.
Levend verbrand
De protestantse godsdienst was verboden. Iedereen moest katholiek zijn. Protestanten werden ketters genoemd. Ze moesten voorzichtig zijn. Ze konden zomaar opgepakt worden. De ergste straf die een ketter kon krijgen was de brandstapel. Dan werd je levend verbrand.
Hertog van Alva
Koning Filips II woonde in Spanje maar regeerde over ons land. Filips was katholiek en woedend over de Beeldenstorm. Hij stuurde de hertog van Alva naar ons land om wraak te nemen. Alva bracht een groot leger mee. Maar hij vond Willem van Oranje tegenover zich. Deze werd de leider van een opstand, die later de Tachtigjarige Oorlog werd genoemd.
Onrust in de Nederlanden.