
Tijdens de hongerwinter haalden de mensen in de grote steden eten bij een gaarkeuken. Dit was een grote keuken, waar gekookt werd voor een hele buurt. Uit een grote pan kregen de mensen een klodder van een soort stamppot.
Barre winter
In de zomer van 1944 vielen de geallieerden het bezette gebied binnen. Iedereen dacht dat de oorlog wel snel afgelopen zou zijn. Maar alleen het zuiden van Nederland werd bevrijd. De geallieerden strandden op de brug bij Arnhem. Tot over maat van ramp werd het een heel koude winter. De elektriciteit viel op veel plaatsen uit en er was geen brandstof. De Duitsers hielden het vervoer van voedsel naar de stad tegen. De mensen kregen een brood per week en een paar aardappelen. In de steden stierven in de hongerwinter honderden mensen van honger en kou.
Eten en brandstof
In de hongerwinter waren de mensen blij dat ze nog een paar tulpenbollen in de kelder hadden liggen. Ze bedachten recepten om ze op te kunnen eten. Suikerbieten werden ook veel gegeten. Huisdieren kon je beter niet buiten laten lopen. De mensen waren ten einde raad en aten alles wat enigszins eetbaar was. Om het huis te verwarmen gebruikten ze trapleuningen, meubels en spoorbielzen. Ook hakten ze stiekem bomen om. Uiteindelijk mochten Zweedse vliegtuigen van de Duitsers voedselpakketten droppen boven de steden. Maar toen waren de winter en de oorlog al bijna voorbij.
Kinderen
Om aan eten te komen gingen de mensen naar de boeren op het platteland. Ook veel kinderen werden er op uitgestuurd om eten te halen. Ze waren soms dagen onderweg. Ze gingen te voet of op een oude fiets. Soms waren de boeren heel vriendelijk. De kinderen kregen dan wat te eten en kregen ook een voorraad mee voor thuis. Andere boeren wilden kleren of sieraden hebben in ruil voor voedsel. Aan het eind van de winter werden kinderen die erg mager waren uit de stad weggehaald. In een vrachtwagen gingen ze zonder hun ouders naar onbekende mensen op het platteland.