
De jaren tussen 1929 en 1940 worden wel de crisisjaren genoemd. Er was veel werkloosheid en veel mensen hadden bijna geen geld.
Crisis
Op 24 oktober 1929 begon de economische crisis in de Verenigde Staten. Op die dag stortte de aandelenbeurs in. Iedereen wilde plotseling zijn aandelen verkopen. En als iedereen dat tegelijkertijd doet, is een aandeel opeens niets meer waard. Die donderdag de 24e gebeurde dat ook. Het wordt ook wel Black Thursday genoemd (Zwarte donderdag). Al snel ging de crisis de hele wereld door. Ook Nederland raakte daarin betrokken. Bedrijven hadden geen werk meer en moesten hun medewerkers ontslaan. In de jaren 30 was er heel veel werkloosheid.
Steun
De regering hielp de mensen die geen werk meer hadden. Ze kregen steun. Maar de regering was bang dat iemand er zwart een baantje bij zou nemen. Daarom namen ze allerlei maatregelen om dit tegen te gaan. Als je geen baan had moest je elke dag een stempel halen. Je stond daarvoor uren in de rij. Ook hoefde je geen fietsbelasting te betalen. Je kreeg een plaatje met een gat erin en de woorden 'kostenloos'. Daar schaamden mensen zich voor. Ook moest men van de regering verplicht aan projecten meedoen. Met de hulp van werklozen is bijvoorbeeld de Afsluitdijk gebouwd, zijn er kanalen gegraven en is het Amsterdamse bos aangelegd.
Betere hulp van de regering
De grote stroom van werklozen duurde wel tot in de Tweede Wereldoorlog. Het was voor het eerst in de geschiedenis dat er zoveel werkloosheid was. Dat betekende dat er ook geen geld was. Je kon net je huur betalen en je eten. Aan het einde van de dertiger jaren kwam er langzaam verbetering. In Amerika devalueert men de dollar. Dat betekent dat de producten uit dat land voor de Nederlanders goedkoper werden. En zo kwam de economie langzaam weer op gang. De regering ging ook anders tegen werkloosheid aankijken. Als je zonder werk zat werd je beter behandeld en de regering deed zijn best om mensen aan een baan te helpen.