
De Middeleeuwen duurden van 500 tot 1500 na Christus. Ze worden vaak in drie perioden verdeeld: de vroege Middeleeuwen, de volle Middeleeuwen en de crisistijd.
Bij Middeleeuwen denk je aan ridders en kastelen. Maar het was ook een tijd van oorlogen en ziektes, zoals de pest.
Vroege Middeleeuwen
Tot het eind van de vijfde eeuw hoorde een groot deel van Europa bij het Romeinse rijk. Toen dit rijk uit elkaar viel, trokken woeste Germaanse stammen het gebied binnen. Het was een chaotische en gevaarlijke tijd. Eén van de Germaanse volken waren de Franken. De Frankische koning Karel de Grote bracht rond 800 een groot deel van Europa weer bij elkaar. Hij verspreidde het christendom en zorgde voor onderwijs.
Volle Middeleeuwen
Toen Karel de Grote overleed, kregen zijn opvolgers ruzie. Het Karolingische rijk werd bedreigd door Vikingen en Hongaren. Mensen waren bang dat de wereld zou vergaan. Ze leefden dicht bij elkaar rond een klooster of een kasteel. Toch werd het langzamerhand iets beter. Nieuwe landbouwtechnieken zorgden voor meer opbrengst van het land en meer welvaart. Het christendom werd de belangrijkste godsdienst.
Crisistijd
Vanaf ongeveer 1300 kwamen er weer nieuwe rampen. De oogsten waren slecht, waardoor de mensen honger leden. Uit het oosten kwam een vreselijke ziekte overgewaaid: de pest. Deze ziekte werd ook wel de zwarte dood genoemd. Engeland en Frankrijk voerden tussen 1337 en 1453 de Honderdjarige Oorlog. Wel was er een paar keer een wapenstilstand. Dat was een periode waarin niet gevochten werd. De leiders van de kerken maakten ruzie over wie er paus mocht zijn. Rond 1500 brak er een hele nieuwe tijd aan met veel verbeteringen: de Renaissance.