
Hoe zag het leven van de gewone mensen in de Middeleeuwen er uit? Hier lees je hoe het leven van een boer was en hoe men leefde in de stad.
Boeren
In de Middeleeuwen was een boer geen vrij mens. Het land, de dieren, zijn kleren, maar ook hijzelf waren bezit van de heer voor wie hij werkte. Deze boeren werden lijfeigenen of horigen genoemd. In ruil voor het werk mochten de boeren op een stukje grond hun eigen eten verbouwen. Gereedschap en kleren maakten ze zelf. De boeren woonden in eenvoudige, rokerige huisjes van klei of leem en stro. De meeste boeren werden maar een jaar of 25, doordat ze veel te hard moesten werken en te weinig voedsel voor zichzelf konden verbouwen.
Stadsbewoners
Toen er meer handel gedreven werd, ontstonden de steden. Vaak langs een rivier. Om de stad was een muur gebouwd, die de stad moest beschermen tegen aanvallen. De straten waren smal, er was geen riool of stromend water. De kans op ziektes was groot. De meeste huizen waren van hout. 's Avonds moesten alle kaarsen en vuren gedoofd worden, omdat het brandgevaar anders te groot was. 's Nachts was het erg donker. Alleen een nachtwacht liep met een lantaarn rond om misdadigers af te schrikken. De steden werden langzamerhand zelfstandig met een eigen bestuur. De bewoners werden poorters genoemd. Ze waren vrije burgers.
Vermaak
Om hun zorgen even te vergeten gingen de Middeleeuwers graag naar feesten en jaarmarkten. Uit heel Europa kwamen kooplieden hun producten verkopen. Zij vertelden over het leven in andere steden. Reizende muzikanten, acrobaten en dansende beren zorgden voor vermaak. Troubadours vertelden en zongen verhalen. Ze begeleidden zichzelf met de fiedel, een soort viool. Narren trokken gekke gezichten en vertelden schuine moppen. Toneelspelers speelden bijbelse verhalen na. De Middeleeuwers hielden ook van dobbelen en drinken, waardoor het er nog al eens ruig aan toe ging op de jaarmarkt!