
Tussen 1602 en 1799 voeren de schepen van de VOC naar Azië. Ze kochten er specerijen, zoals peper en kaneel. Bijna een miljoen mensen hebben voor dit bedrijf gewerkt.
De VOC
In de vijftiende eeuw kochten de Portugezen
specerijen in Indië. Ze verkochten deze aan Nederlandse kooplieden, die er veel geld mee verdienden. Aan het eind van deze eeuw gingen de Portugezen samenwerken met de Spanjaarden. Omdat Nederland in oorlog was met Spanje, kwam er ook oorlog met de Portugezen. Nederland moest nu zelf naar Indië. Maar dit was gevaarlijk. Handelaars moesten van de regering samen de Verenigde Oost-Indische Compagnie gaan vormen. Samen sta je sterker! Dit gebeurde in 1602.
Naar Indië
Vóór de oprichting van de VOC probeerden mensen al een weg naar Indië te vinden. Willem Barentsz probeerde het via de Noordelijke IJszee, maar zijn ontdekkingstocht mislukte. Cornelis de Houtman probeerde een zuidelijke route via Kaap de Goede Hoop (in Afrika). De schepen kwamen met weinig handelswaar terug, maar ze wisten nu wel de weg! De VOC-schepen konden handel gaan drijven. Dit deden ze vanuit de kolonie Nederlands-Indië. De hoofdstad daarvan was Jakarta. Later heette de stad Batavia. Het duurde tot het einde van de achttiende eeuw. De Engelsen namen toen de macht over.
Op een VOC-schip
Het leven op een VOC-schip was zwaar. De reis naar Indië duurde negen maanden. Terug ging het sneller door de gunstige wind. Er gingen varkens en kippen mee voor vers vlees. Ook aten ze gepekeld vlees. Dat was vlees met veel zout erin zodat het lang goed bleef. Door het slechte eten en het harde werken werden veel zeelieden ziek. Door gebrek aan vitaminen kregen ze scheurbuik. Er gingen onderweg veel mensen dood. Eenmaal bij Kaap de Goede Hoop in Afrika kon het schip vers water en verse groenten en fruit inladen. Nog drie maanden later kwam het aan in Indië, als het tenminste niet overvallen werd door piraten...