
In 1637 verscheen de Statenbijbel. De Bijbel in het Nederlands, vertaald uit het Hebreeuws, Grieks en Latijn. Alle gewesten hebben eraan mee gewerkt.
Katholieken en Protestanten
Christenen geloven in God en Jezus Christus. Hun heilige boek is de Bijbel. In de zestiende en zeventiende eeuw waren er veel christenen die anders dachten over hun geloof. Aan de ene kant stonden de katholieken en aan de andere kant de protestanten. Ze geloven allebei in God en Jezus maar bij de katholieken is de Paus uit Rome de baas. Dat is bij de protestanten niet zo. Een van de strijdpunten is de vraag wie de Bijbel mocht lezen.
Wie leest de Bijbel?
De katholieken vonden dat gewone mensen de Bijbel niet zelf hoefden te lezen. Dat hoorden ze wel in de kerk. Daar kregen ze uitleg over de Bijbel. Die was in het Latijn geschreven. Dat lazen alleen de geestelijken. Zij zijn de tussenpersonen tussen God en de gelovigen. De protestanten vonden dat iedere gelovige zelf de Bijbel kan lezen. Hun geestelijken zijn predikanten. Zij lazen met de gelovigen de Bijbel en gaven uitleg.
Synode
De belangrijkste (protestantse) kerkelijke vergadering, de synode, besliste in Dordrecht in 1618 dat er één begrijpelijke vertaling moest komen in het Nederlands. De Staten Generaal gaf opdracht tot de vertaling. De regering gaf hier ook mee aan dat de staat boven de godsdienst staat. De Statenvertaling ofwel Statenbijbel kwam uit in 1637. Ruim 3 eeuwen is er door de protestanten uit deze Bijbel voorgelezen. Veel uitdrukkingen uit de Statenbijbel worden nu nog steeds in het Nederlands gebruikt zoals bijvoorbeeld ‘zijn handen in onschuld wassen’.