
De Beemster staat op de lijst van Werelderfgoed. Deze drooggemalen polder uit 1612 is door de Nederlanders ‘zelf gemaakt’. Waar ooit water was ontstond land. Nederland staat er om bekend. In de twintigste eeuw volgden de Flevopolders en de Maasvlakte.
Winnen van land
Amsterdam groeide in het begin van de zeventiende eeuw steeds sneller. Men had land nodig voor de voedselvoorziening. In 1607 besloten een paar Amsterdamse kooplieden en stadsbestuurders om De Beemster droog te leggen. Het was toen nog een groot meer. Zo zou er grond komen waarop men voedsel kon verbouwen. Maar vooral zagen de kooplieden het als een goede investering.
Leeghwater
Rond het meer werd een hoge dijk van 38 kilometer lang gebouwd. Daaromheen kwam een ringvaart, een soort kanaal. Met 43 windmolens op een rij pompte men het meer leeg. Dit wordt ook wel een molengang genoemd. Het water komt steeds een stukje hoger en uiteindelijk in het kanaal. Jan Adraenszoon Leeghwater had de leiding over de bouw en het plaatsen van de molens.
Inrichting
In 1612 was het meer droog. Men ging het ‘nieuwe’ land inrichten. Er kwamen wegen, sloten en nieuwe boerderijen. De Beemster is verdeeld in meer dan vijftig stukjes land in een rechtlijnig patroon. Molens zorgen ook voor het waterpeil tussen de landjes. Vroeger ging er alleen maar water uit. Tegenwoordig kan men ook water de polder in laten stromen bijvoorbeeld in droge perioden.