
Het jaar 1566. Steeds meer mensen zijn het niet eens met regels van de katholieke kerk en het bestuur van de Spaanse koning.
Filips II
In 1566 is Nederland nog niet het land zoals wij dat nu kennen. Het gebied bestaat uit een soort provincies die de Nederlanden genoemd worden. Filips II (de tweede) is de baas, hij woont in Spanje. In de Nederlanden is het onrustig. Veel mensen zijn werkloos, arm en hebben honger. Daar komt nog bij dat veel mensen het niet eens zijn met de rooms-katholieke kerk. Deze mensen worden protestanten genoemd. De katholieke Filips vindt dat iedereen katholiek moet zijn. Hij laat de ketters, zoals hij ze noemt, zwaar straffen. Veel protestanten komen op brandstapel.
Beeldenstorm
Protestanten hebben geheime ontmoetingen in schuren of in de open lucht achter struiken en hagen. Hun preken worden hagenpreken genoemd. Soms komen ze wel met duizenden samen. Tijdens een hagenpreek in 1566 worden de arme, hongerige, ontevreden mensen heel erg boos op alle rijkdommen van de katholieke kerk. De protestanten zijn het niet eens met de dure kunstwerken in de kerkgebouwen terwijl de mensen honger hebben. Ze bestormen de kerken en kloosters en slaan alle beelden kapot. Sommige protestanten vinden ook dat je geen beelden moet aanbidden. Op steeds meer plekken in de Nederlanden bestormen boze mensen kerken. Beelden, boeken, schilderijen en andere kunstvoorwerpen maken ze kapot. De mensen zijn ook boos op de Spaanse koning Filips II omdat ze vinden dat hij het land niet goed bestuurt. Steeds meer ontevreden mensen sluiten zich bij de beeldenstormers aan.
Opstand
Filips II hoort van de beeldenstorm en is woedend. Hij stuurt de strenge Spaanse hertog Alva met een leger naar de Nederlanden. Alva voert een schrikbewind. Stadhouder Willem van Oranje wil de Nederlanden bevrijden van Alva en het Spaanse leger. Hij verzamelt een eigen leger. In 1568 wint Willem van Oranje de veldslag bij Heiligerlee. Dit is het begin van de Opstand die tachtig jaar duurt.