
Op deze foto zie je een non en een monnik in de eenentwintigste eeuw. Al sinds de opkomst van het christendom zijn er mannen en vrouwen die hun leven helemaal aan God willen wijden.
Eerste kloosters
De allereerste monniken en nonnen leefden alleen en trokken rond. Hun belangrijkste bezigheid was bidden. Later gingen ze bij elkaar wonen in kloosters. Dit was veiliger en ze konden het werk verdelen. Ze gingen toen ook lesgeven, zieken verzorgen en armen helpen. De monnik Benedictus was één van de eersten die een klooster stichtte. Kloosters werden vaak op een hoge berg gebouwd. Zo konden de monniken en nonnen ver van de wereld en dicht bij God leven.
Dagelijks leven
Monniken en nonnen besteedden in de Middeleeuwen veel tijd aan bidden en zingen. Maar ze werkten ook. Studeren en het overschrijven van boeken waren belangrijke bezigheden. De boeken werden vaak mooi versierd. De bewoners van het klooster verbouwden zelf hun groenten en fruit. Een klooster bezat vaak veel grond. Kloosters gaven onderdak aan reizigers en hielpen mensen in nood. De meeste kloosters hadden bedienden in dienst voor het zware werk.
Leefregels
Om dicht bij God te kunnen zijn leven monniken en nonnen volgens bepaalde regels. Ze hebben geen bezittingen die van hun zelf zijn. Ze mogen niet trouwen en ze moeten zich houden aan de regels van het klooster. Ze moeten hun tijd op een nuttige manier doorbrengen. Verschillende keren per dag houden ze een kerkdienst. Monniken en nonnen denken ook veel na over hun leven en over God. Mannen en vrouwen leven in aparte kloosters. Tegenwoordig zijn er nog steeds mensen die volgens deze regels leven.