
Fossielen zijn resten van levende wezens die in het gesteente bewaard zijn gebleven. De oudste fossielen zijn meer dan vijfhonderd miljoen jaar oud.
Wat zijn fossielen?
Fossielen zijn overblijfselen of sporen van dieren en planten die al lang dood zijn. Soms al miljoenen jaren. Sommige prehistorische dieren en planten die stierven, kwamen meteen onder afzettingen te liggen. Dit zijn afgesleten stukjes berg die door ijs, water en wind werden weggevoerd. Deze afzettingen stapelden zich gedurende miljoenen jaren op. De zachte delen van het dier rotten weg. De harde delen fossiliseerden (versteenden). Dit kunnen schelpen, botten, tanden of zelfs hele skeletten zijn.
Lagen van leven
Op aarde leefden miljoenen levende wezens. Een klein aantal is maar als fossiel bewaard gebleven. Fossielen zijn belangrijk omdat ze laten zien hoe het leven op aarde zich heeft ontwikkeld. De geschiedenis van de aarde is verdeeld in tijdperken. In verschillende tijdperken leefden verschillende dieren en planten. Geologen onderzoeken de aardbodem. Zij kunnen aan de fossielen in een gesteente zien hoe oud dat gesteente is.
Archaeopteryx
Erg belangrijk voor de wetenschap was de vondst van een fossiel van een Archaeopteryx-skelet. De Archaeopteryx was een soort vogel die leefde in bomen. Hij gebruikte poten en vleugels om te klimmen, want hij kon niet goed vliegen. Zijn messcherpe tanden gebruikte hij om andere dieren te vangen. De vondst van de eerste Archaeopteryx in 1861 verbaasde de wetenschappers. Ze dachten dat het om een vroege vogel ging, omdat hij veren en vleugels had. Maar hij had ook kenmerken van reptielen zoals scherpe tanden, klauwen en poten met schubben. Wetenschappers denken daarom dat vogels afstammen van de dinosaurussen.