
Schaken is een spel tussen twee spelers op een bord met 64 vakken. De ene speler speelt met de witte stukken en de ander met de zwarte stukken.
Geschiedenis
Niemand weet precies hoe schaken is ontstaan. Wel is bekend dat schaken voortkomt uit het Indiase oorlogsspel Chaturanga. Dit betekent "vier kanten". De Indiase legers bestonden namelijk uit vier delen: de strijdwagens, ruiterij, olifanten en voetsoldaten. Schaken is dan ook een echt oorlogsspel, het witte leger tegen het zwarte. Vanuit India verspreidde het schaken zich naar de Arabische wereld. Via oorlogen en handelsroutes (toen landen spullen gingen kopen en verkopen in andere landen) kwam het spel ook naar Europa. Aan het begin van de elfde eeuw was schaken bekend in heel Europa.
Het schaakspel
Een schaakspel bestaat uit 32 stukken en een bord. Dit bord is eigenlijk het slagveld waarop de oorlog wordt gevoerd. Elk schaakleger beschikt over een koning en een koningin. Dit zijn de belangrijkste stukken. Verder zijn er twee lopers, twee paarden en twee torens. Deze had je vroeger ook in de oorlog. Denk maar aan koeriers (lopers), paarden voor de soldaten en torens (kastelen). Als laatste zijn er nog de pionnen ofwel de voetsoldaten. Beide legers proberen natuurlijk de strijd te winnen. Dit gebeurt door de stukken op een bepaalde manier te verzetten. Ook is het mogelijk dat een spel gelijk eindigt. Dit wordt een remise genoemd.
De koning
De koning herken je meteen. Hij is het grootste van alle stukken en heeft altijd een kruisje op zijn kroon. De koning is wel het belangrijkste stuk, maar niet het sterkste. Anders dan de overige stukken kan hij zich per zet maar één veld verplaatsen. De koning kan andere stukken slaan. Hij mag niet op een veld gaan staan waar hij zelf geslagen kan worden. Als de koning geen kant meer op kan is het schaakspel afgelopen. De val van de koning betekent het einde van het leger. Dit wordt schaakmat genoemd. Deze term komt van het Iraanse woord Shah mat. Dit betekent: de koning is dood.