
In december 2004 verwoestte een tsunami grote delen van Indonesië. Hier zie je een vissersboot die door de vloedgolf is meegesleurd en achtergelaten midden in een dorpje.
Tsunami
Een tsunami ontstaat door aardbevingen en vulkaanuitbarstingen onder in de zee. De korst van de aarde bestaat uit grote, losse platen. Omdat de aarde onder de platen vloeibaar is, kunnen de platen tegen elkaar aanbotsen. Als dit in de zee gebeurt, kan er een enorme vloedgolf ontstaan. Zo'n golf noemen we een tsunami. Hij kan wel 50 meter hoog zijn, zo hoog als een flatgebouw! Als de golf op het land botst, sleurt hij alles mee. De kracht kan zo groot zijn dat bomen en huizen worden verwoest.
Tsunami’s voorspellen
Langs de Stille Oceaan komen de meeste tsunami’s voor. Maar langs de Middellandse Zee zijn ook tsunami’s geweest. Overal ter wereld zijn er waarschuwingssystemen. De waarschuwingssystemen meten natuurverschijnselen. Als het systeem een aardbeving in zee meet, kan er een tsunami ontstaan. Je kunt mensen dan waarschuwen. Zo kunnen ze snel naar een hoger gelegen gebied gaan waar de vloedgolf hen niet kan bereiken.
Hulp
Na een tsunami zijn de mensen die dicht bij de kust wonen alles kwijt: hun huis en soms familie. Vanuit de hele wereld wordt hulp aangeboden. Speurhonden gaan op zoek naar overlevenden onder het puin. Water, eten, medicijnen en tenten zijn nodig voor de overlevenden. Hele dorpen moeten weer opgebouwd worden. De laatste grote tsunami was op 26 december 2004 in Zuid-Oost Azië.