
Als je de aarde vanuit de ruimte bekijkt zie je veel blauw. Dat komt doordat meer dan zeventig procent van de aarde bedekt is met water. Zeeën en oceanen zijn heel belangrijk voor het leven op aarde.
Onstaan
Vlak na het ontstaan van de aarde - 4600 miljoen jaar geleden - viel er heel veel regen. Deze regen ontstond door stoom van vulkanen. Er onstond een plas die twee grote stukken land omringde. Later vielen de stukken land uit elkaar. Er ontstonden continenten. Dat is een ander woord voor vasteland. De vier grote wateren tussen de continenten heten oceanen. Er ontstonden ook zeeën. Dit zijn delen van een oceaan met veel land er omheen.
Hoe diep is de zee?
Een oceaan is gemiddeld vier kilometer diep. De bodem van de oceaan hoort bij de aardkorst, de buitenste laag van de aarde. De bodem is niet vlak. Er zijn diepe gleuven die we troggen noemen. Ook zijn er uitgestrekte bergketens en zelfs vulkanen. Vlak bij het land ligt het continentaal plat. Hier is de zee maar twintig meter diep.
Stromingen, eb en vloed
Meestal komt de wind boven de oceaan uit dezelfde richting. Hierdoor krijg je stromingen. Deze stromingen voeren warm of koud water langs het vasteland. Ze hebben veel invloed op de temperatuur. Twee keer per dag stijgt en daalt het water aan de kust. Het strand lijkt daardoor de ene keer breder dan de andere keer. Laagwater heet eb, hoogwater heet vloed. Dit komt door de aantrekkingskracht van de maan. De zon heeft ook aantrekkingskracht. Bij volle maan en bij nieuwe maan staan de zon en de maan achter elkaar. Door hun aantrekkingskracht stijgt het water hoger dan normaal. Dit heet springvloed.