
Savannen zijn grote grasvlakten met hier en daar een boom. Je vindt ze in Afrika, Azië, Australië en Amerika. Steppen lijken veel op savannen, maar ze zijn minder groen.
De Afrikaanse savanne
De savanne ligt tussen de woestijn en het tropisch oerwoud. De droge tijd is heel kort. Daardoor kunnen er geen bomen groeien. In de lange regentijd valt er heel veel regen en is het erg warm. Er is daardoor genoeg eten voor heel veel dieren. Op de savanne leven grote kuddes graseters: zebra's, antilopen en buffels. Olifanten en giraffen eten de hoogste blaadjes uit de struiken. Roofdieren, zoals leeuwen, eten op hun beurt deze planteneters.
Steppen
Op de steppe valt minder regen dan op de savanne. Dit komt vooral doordat de wind van land komt en niet van zee. Vooral de gebieden die grenzen aan de woestijn, de woestijnsteppen, zijn erg droog. In Rusland liggen grote steppengebieden. 's Winters kan het er erg koud worden. De steppen worden vooral bewoond door knaagdieren. Ondanks de droogte verbouwen Russische boeren veel graan op de steppen.
Pampa's en prairies
De steppen in Zuid-Amerika heten pampa's. Je vindt ze vooral in Argentinië. Toen de Spanjaarden Zuid-Amerika ontdekten zagen ze dat de pampa's heel geschikt zijn voor veeteelt. Ook nu nog trekken cowboys rond met kuddes vee.
In het middenwesten van Amerika ligt ook een groot steppengebied. Hier wordt het prairie genoemd. De prairie was vroeger het leefgebied van indianen en bizons. De indianen aten deze runderen. Tegenwoordig is een groot deel van de prairie geschikt gemaakt om graan te verbouwen.