spacer spacer   spacer spacer
Basisschool spacer Voortgezet Onderwijs spacer MBO en VE spacer Docenten spacer Mediathecarissen
 
visual
Vuur
Vuur kan leuk zijn én gevaarlijk. Maar wat is vuur eigenlijk?

Vuur
Om vuur te maken heb je een brandstof, zuurstof en warmte nodig. Zuurstof zit in de lucht. Voorbeelden van brandstoffen zijn olie, hout, steenkool en benzine. Hierin zit veel koolstof. Als je de brandstof heel heet maakt, komen de koolstofdeeltjes los uit de stof. Ze vormen een gas. De gasdeeltjes en de zuurstofdeeltjes uit de lucht verbinden zich aan elkaar. Dit is de verbranding. Bij verbranding komt warmte vrij. De koolstofdeeltjes gaan gloeien door de warmte. Deze gloeiende, opstijgende koolstofdeeltjes zijn de vlammen. Je ziet niet altijd vlammen als iets brandt. Houtskool op de barbecue smeult.

Gebruik van vuur
Duizenden jaren geleden maakten mensen vuur door vuursteen of hout heel snel tegen elkaar te wrijven. Hierdoor ontstaat wrijvingswarmte. Met de gloeiende vonken die er afspringen kun je iets in brand steken. Mensen gebruikten vuur om eten te koken en zichzelf warm te houden. Ze ontdekten al gauw dat klei heel sterk wordt als je het bakt in vuur. Ook ontdekten ze dat je metaal kunt smelten en buigen als je het in het vuur houdt. Ook nu wordt vuur nog veel gebruikt. Denk maar aan het gasfornuis en aan de ketel van de centrale verwarming. Deze apparaten verbranden aardgas. 

Brand
Een klein vuurtje van een kaars kan een grote brand veroorzaken. In de Middeleeuwen brandde zo soms bijna een hele stad met houten huizen af. Als het warm en droog is kan er een bosbrand uitbreken. Er ontstaat dan vaak een vuurstorm. De hete lucht stijgt op, zodat er onderaan nieuwe lucht aangezogen wordt. Daardoor ontstaat een hele harde wind die de brand verder aanwakkert. De brandweer probeert de brand te doven door het af te koelen met water. Als ze schuim op het vuur spuiten komt er geen zuurstof meer bij. Het vuur gaat dan uit.