
Met je zintuigen neem je je omgeving waar. Je merkt dat het koud is en je proeft een lekker ijsje. Je hebt vijf zintuigen: gehoor, gezicht, reuk, smaak en gevoel. Deze baby is druk bezig zijn zintuigen te oefenen.
Oren
Het deel van het oor dat je ziet is de oorschelp. Hiermee vang je het geluid op. De rest van je oor zit binnen in je hoofd. Geluid bestaat uit trillende deeltjes lucht. De trillingen brengen het trommelvlies in beweging. Dan gaan ook de drie gehoorbeentjes (hamer, aambeeld en stijgbeugel) om de beurt bewegen. Het geluid wordt daardoor naar het slakkenhuis gebracht. Fijne haartjes in het slakkenhuis zetten de trillingen om in elektrische signalen. Deze signalen gaan naar de hersenen en neem je waar als een geluid.
Ogen
Door de pupil komt er licht in het oog. Via de lens komt het beeld omgekeerd op het netvlies. Het netvlies bestaat uit staafjes die wit licht zien, en uit kegeltjes die rood, blauw of groen licht zien. De staafjes en kegeltjes zetten het licht dat ze zien om in elektrische signalen. De hersenen maken er dan weer een beeld van en zetten het recht. Ze vergelijken het beeld met dingen die in de hersenen zijn opgeslagen. Daardoor kun je begrijpen wat je ziet.
Proeven, ruiken, voelen
Proeven doe je door de smaakknoppen die in de papillen (kleine bobbeltjes op je tong) zitten. De smaakpapillen proeven vier smaken: zoet, zuur, zout en bitter. De smaakknoppen sturen een signaal naar je hersenen. Je proeft meer dan deze vier smaken, omdat de neus ook informatie geeft over wat je proeft.
In je neus zitten tweehonderd miljoen kleine draadjes. Deze heten ciliën. De ciliën sturen signalen naar je hersenen. De hersen zoeken uit wat de geur precies betekent. Receptoren in de huid voelen druk, pijn, warmte en kou. De receptoren geven dit door aan de hersenen, waardoor jij iets voelt.