
In Nederland gaan de meeste kinderen vanaf hun vierde jaar naar school. De juf op het plaatje legt uit wat warm en koud is.
Waarom zijn er scholen?
Karel de Grote regeerde dertienhonderd jaar geleden. Hij had mensen nodig om zijn grote rijk te besturen. Die mensen moesten kunnen lezen en schrijven. Karel de Grote zorgde er daarom voor dat er scholen kwamen. Goed onderwijs is nog steeds belangrijk voor een land. Goed opgeleide mensen kunnen met hun werk geld verdienen voor het land. Maar goed onderwijs is ook belangrijk voor de mensen zelf. Met goede diploma’s kun je werk vinden dat je leuk vindt en waar je genoeg geld mee kan verdienen. In arme landen is het onderwijs soms slecht. De bevolking blijft daardoor arm.
Leerplicht
Vroeger hoefden kinderen niet naar school. Onderwijs was bovendien duur. Alleen als je rijke ouders had kon je naar een goede school. Vanaf 1848 mocht iedereen gratis naar school. Maar veel kinderen moesten werken in de fabrieken, zodat ze geen tijd hadden om naar school te gaan. In 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Alle kinderen moesten toen naar school. Nu gaan alle kinderen in Nederland tussen vijf en achttien jaar naar school. Dit is niet in alle landen zo. Vooral in arme landen moeten kinderen nog steeds hard werken en gaan niet naar school. Ongeveer 250 miljoen kinderen krijgen geen onderwijs.
Scholen
Eerst ga je naar de basisschool. Je blijft daar tot je twaalf bent. In groep acht maak je de Cito-toets. Je kunt dan zien welke school voor jou het beste is na de basisschool. Na het Voortgezet Onderwijs kun je leren voor een beroep. Je kunt ook gaan studeren aan de universiteit. De meeste scholen krijgen geld van de regering. Iedereen kan er naar toe. Toch zijn er verschillen. Op sommige scholen is de bijbel belangrijk. Op andere scholen wordt op een speciale manier lesgegeven, zoals bijvoorbeeld op een Montessorischool. De regering let er wel op dat kinderen op alle scholen evenveel leren.