
Als je naar de brugklas gaat verandert er veel. Je hebt bijvoorbeeld veel meer boeken en schriften nodig.
Naar welke school ga je?
Er zijn drie soorten voortgezet onderwijs. Je kunt kiezen uit het voorbereidend beroepsonderwijs (VMBO), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (HAVO) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO). De meeste kinderen gaan naar het VMBO. De drie soorten zijn samen vaak één grote school. Veel kinderen gaan naar een school in de buurt. Of ze gaan naar een school waar veel klasgenoten heen gaan. Het kan ook zijn dat je kiest voor een school waar ze veel aan sport doen of aan kunst … Het is belangrijk dat je naar een school gaat die bij je past.
In het begin
Op het voortgezet onderwijs heb je veel vakken. Voor al die vakken heb je boeken nodig. Meestal kun je die op school huren. Je moet ze wel kaften. Je krijgt een lesrooster waarop staat welk vak je op welke tijd hebt, van welke leraar en in welk lokaal. Als de school heel groot is, is het vinden van het lokaal in het begin best lastig. Je zult moeten wennen aan de nieuwe gezichten in je klas. Aan het begin van het schooljaar moet je veel dingen samen met je klasgenoten doen. Zo maak je vast snel vrienden! Het is misschien wel even wennen dat je ineens weer bij de kleinsten op school hoort. Laat je niet op je kop zitten door tweedeklassers!
Leren en leuke dingen
Op het voortgezet onderwijs krijg je meer huiswerk dan op de basisschool. Om te kunnen onthouden wat je moet doen heb je een agenda nodig. Het is belangrijk dat je alles duidelijk opschrijft. Soms overhoort een leraar het huiswerk onverwacht mondeling of schriftelijk. Een proefwerk wordt altijd ruim van te voren opgegeven zodat je op tijd kunt beginnen. Natuurlijk zijn er ook leuke dingen. Er is ieder jaar een schoolfeest en je kunt zelf een klassenfeest organiseren. Meestal is er ook een sportdag. En vaak zijn er ook uitstapjes of schoolkampen.