
Klassieke muziek is gemaakt in Europa tussen ongeveer 1600 en 1900. Deze driehonderd jaar zijn onder te verdelen in drie belangrijke periodes. Dit zijn de barok, de klassieke tijd en de romantiek.
De barok
Barokmuziek is muziek met veel versieringen. Deze is genoemd naar de populaire, sierlijke bouw- en schilderstijl in die tijd. De baroktijd duurde van ongeveer 1600 tot 1750. Een belangrijk snaarinstrument was de klavecimbel, een klein soort vleugelpiano. Vaak begeleidde het klavecimbel fluit, viool of zang. Een componist is iemand die muziek schrijft. Belangrijke componisten uit de barokperiode zijn de Italiaan Monteverdi en de Duitser Bach.
De klassieke tijd
Rond 1750 brak er een nieuwe periode aan. Deze tweede periode noemen we de klassieke tijd. Hij duurde tot 1820. Mensen in de klassieke tijd hadden bewondering voor het klassieke Griekenland. De componisten wilden geen versieringen of vreemde vormen meer. Ze wilden eenvoud in de muziek. Een belangrijke uitvinding was de pianoforte, de voorloper van de piano. In deze periode werd Wenen, de hoofdstad van Oostenrijk, het muzikale centrum van Europa. Componisten kwamen uit heel Europa om in Wenen naar school te gaan. Uit deze Weense school kwamen drie grote componisten voort. Dit waren de Oostenrijkers Haydn en Mozart en de Duitser Beethoven.
De romantiek
De derde en laatste periode van de klassieke muziek noemen we de romantiek. Deze duurde van 1820 tot 1900. Mensen in deze tijd vonden dat er meer emotie en fantasie in de muziek moest. De componisten deden dit ook door hun persoonlijke gevoelens in de muziek te leggen. Dit is bijvoorbeeld goed te horen aan de muziek van de Oostenrijkse componist Mahler. Zijn werk is lang, droevig en vol strijd. Beethoven begon als klassiek componist, maar werd later een romanticus. Andere romantische componisten zijn de Rus Tchaikovsky, de Hongaar Liszt en de Oostenrijker Schubert.