
In de middeleeuwen was smid een heel gewoon beroep. Een smid maakt voorwerpen van ijzer. Nu gebeurt dat meestal in een fabriek.
Beroepen
Bewoners van een stad in de Middeleeuwen hadden verschillende beroepen. Een beroep heette toen ook wel een ambacht. Iemand was bijvoorbeeld slager, hoefsmid, timmerman of kleermaker. Mensen met hetzelfde beroep hoorden bij een vaste groep. Deze groep heet het gilde. Meestal woonden de mensen met hetzelfde beroep in dezelfde straat. De gilden zorgden er voor dat de leden hun werk goed deden. Als je als kleermaker een pak verkocht dat niet goed paste, kreeg je een flinke boete. Het gilde bepaalde ook wat je mocht verdienen.
Meesters
Een meester was iemand die heel goed was in zijn vak. Een jongen leerde een beroep bij een meester. Hij begon als leerling. Hij moest de werkplaats netjes houden en eenvoudige klusjes doen. Hij kreeg hier geen geld voor. Ondertussen leerde hij timmeren of schoenmaken. Als de leerling het vak aardig kende, werd hij gezel. Als de gezel de meesterproef goed had gedaan, mocht hij zelf een werkplaats beginnen. De meesterproef was een speciaal werkstuk. Als de andere leden van het gilde vonden dat hij het goed gedaan had, werd hij meester. Hij mocht dan ook leerlingen in dienst nemen.