
De mensen in de Middeleeuwen leefden heel anders dan wij. Ze hadden geen centrale verwarming en leefden vaak buiten.
Boeren
In de Middeleeuwen waren de meeste mensen boer. Ze bewerkten het land van een heer. Deze heer was de baas van het gebied. De boeren hoorden bij het land en konden niet ergens anders gaan wonen. Ze moesten heel hard werken. Ook de kinderen hielpen mee. In ruil voor het werk kregen de boeren een klein stukje land om hun eigen groenten te verbouwen. Vaak was er maar weinig te eten. De boeren woonden in kleine huisjes van klei en stro. Het was er vochtig en rokerig. Het leven was niet erg gezond en boeren gingen vaak jong dood.
Stad
Aan het einde van de Middeleeuwen werden de steden steeds groter. Er kwamen steeds meer winkeliers en zakenmensen. Ook waren er veel ambachtslieden, zoals schoenmakers en kleermakers. Om de stad stond een muur om indringers buiten te houden. ’s Nachts was het erg gevaarlijk in de stad, want er was geen straatverlichting. Er waren wel nachtwachten die de stad bewaakten. De huizen in de stad stonden heel dicht op elkaar en het was er erg benauwd. De stadsbewoners gooiden hun poep en plas gewoon op straat. Je snapt wel dat er vaak mensen ziek werden!