
In de winter denk je aan sneeuw en ijs. Het wordt laat licht en vroeg donker. In december zijn er veel feestdagen.
Winter
De winter begint op 21 december. Dit is de kortste dag. Onze kant van de aarde staat dan het verst van de zon af. Je hebt een jas en muts aan voor de kou. Onder de nul graden gaat het vriezen. Het water in vijvers en sloten bevriest. Wanneer het ijs sterk genoeg is kun je schaatsen. Regen bevriest onder de nul graden. Je hebt dan sneeuw. Je kunt sleetje rijden of een sneeuwpop maken. In december zijn veel feestdagen. De mensen maken het in huis gezellig.
Natuur
Buiten zie je geen bladeren aan de bomen. De meeste bomen zijn kaal. Veel planten zijn doodgegaan. Op de boerderij staan veel dieren in de stal. Vogels zijn naar warmere landen gevlogen. Andere dieren hebben een hol waar ze de winter doorbrengen. Ze houden een winterslaap. In de sneeuw kun je sporen van dieren zien. Dat zijn afdrukken van hun poten. Dieren hebben vaak weinig te eten. Mensen geven de dieren dan eten. Bijvoorbeeld vetbollen voor de vogels.