
Het wiel van deze vrachtwagen is groot. De man kan er in zitten.
Wat is een wiel?
Een wiel is een rond voorwerp. In het midden ervan zit een as. Dat draait het beste. Een wiel rolt goed over harde, vlakke oppervlakken. Het is onhandig in een woestijn of in de bergen. Fiets maar eens door een flinke laag zand. Een steile berg op fietsen is heel moeilijk. Steil omlaag is levensgevaarlijk door te veel snelheid. Er moet een opbouw op een wiel. Dan kan het iets dragen. Bijvoorbeeld een kruiwagen, (hand)kar, koets, fiets, auto of trein. Wielen zijn bedoeld om iets zwaars te verplaatsen. Dat is veel makkelijker dan dragen of slepen. Je hebt er wel goede, vlakke wegen voor nodig.
Tandwiel
Tandwielen zijn wielen met ribbels of tanden aan de rand. De ribbels of tanden van twee tandwielen grijpen in elkaar. Daardoor laten ze elkaar draaien. Een gewone fiets heeft twee tandwielen. Voor in de kettingkast zit een groot tandwiel. Achterin zit een kleinere. Er loopt een ketting om de twee tandwielen. De trappers laten het voorste tandwiel draaien. Daardoor draait het achterste tandwiel (en dus het achterwiel) mee. Omdat het achterste wiel draait, moet het voorwiel ook draaien. Zo rijdt de fiets. Door tandwielen kunnen allerlei machines draaien.