
Deze Australische slang heet tapijt-python. Zijn kleuren passen goed op een tapijt, vinden mensen. In de regentijd jaagt hij op kleine vogels en kikkers.
Reptiel
Een slang hoort bij de reptielen. Reptielen hebben schubben van buiten en een skelet van binnen. En ze kunnen zichzelf niet warm houden. Ze zijn net zo warm (of koud) als hun omgeving. Slangen hebben geen poten en geen oren. Er zijn heel veel soorten. Ze leven meestal op de grond, zelfs in hete woestijnen. Sommigen kunnen ook in bomen of in de zee wonen. Slangen eten altijd andere dieren, die ze eerst dood maken. Dan slikken ze het hele dier zonder kauwen door.
Slangenjacht
Slangen bewegen niet erg snel, maar wel heel zachtjes. Ze sluipen naar hun prooi toe. (Dat is een dier dat ze willen vangen en eten). Gifslangen spuiten gif in de prooi. Die kan dan niet meer wegvluchten. Wurgslangen kronkelen zich er om heen en knijpen hard. Dan kan het prooidier geen adem meer halen. Slangen vluchten zelf ook vaak weg. Daarom zie je ze niet vaak.