
Pinguïns leven vooral in gebieden dicht bij de Zuidpool. De koude zeeën bij de Zuidpool zitten vol heerlijke vis. Daar leven de pinguïns van. Op de foto zie je Keizerpinguïns: vader, moeder en hun donzige jong.
Zeevogels
Pinguïns zijn vogels, maar ze kunnen niet vliegen. Zwemmen kunnen ze wel goed. Daarvoor gebruiken ze hun vleugels. Hun kleine veren zitten heel dicht op elkaar. Die veren zijn waterdicht. Onder de veren heeft de pinguïn een dikke vetlaag. En hij heeft zwemvliezen tussen zijn tenen. Pinguïns kunnen heel lang onder water blijven om te jagen. Ze eten vis, pijlinktvis en krill. Dat zijn heel kleine garnaalachtige diertjes. Als ze dorst hebben drinken pinguïns zout zeewater. Of ze eten sneeuw.
Jongen grootbrengen
Pinguïns paren op het land. Daar maken ze een nest. Het ei móet warm gehouden worden. Als het jong uit het ei komt, heeft hij donzen veren. De vader houdt het jong warm. De moeder gaat voedsel zoeken. Pas na een half jaar krijgt het jong waterdichte veren. Dan kan hij zelf in zee duiken en eten zoeken. In de zomer blijven de pinguïns op zee. Ze eten zich dan rond. De jonge pinguïns kunnen dan goed groeien.