
Het lijf van dit Australische zeepaardje heeft overal groene groeisels. Als hij tussen de waterplanten zit, ziet geen vijand hem.
Niet eetbaar lijken
Alle dieren moeten overleven, dus ze moeten eten zoeken. Ze eten planten of andere dieren of allebei. Het ene dier is eten voor het andere dier. Dieren moeten zich dus beschermen tegen hun vijanden. Dat kan op veel manieren. Veel dieren hebben een schutkleur. Als ze heel stil zitten, vallen ze niet op. Sommige dieren krijgen in de winter een andere kleur. Zomers zijn ze bruin en ’s winters in de sneeuw wit. Een schutgeur bestaat ook. Het dier ruikt naar niets of naar iets anders. Er zijn ook dieren die lijken op iets anders. Ze lijken op een tak, een blad of een vogelpoepje. Of ze doen alsof flauwvallen of dood zijn. Daardoor herkent hun vijand ze niet.
Stiekem jagen
Er zijn ook dieren die camouflage gebruiken om te jagen. Daardoor vallen ze niet op en loopt hun prooi niet weg. Een krokodil lijkt op een onschuldige boomstam in het water. Een tijger valt in het hoge gras niet op. Dat komt door zijn strepen. Een steen in de oceaan kan een hongerige steenvis zijn. Er zijn ongevaarlijke poetsvissen in de zee. Ze eten ongedierte af van grotere vissen. Die zijn daar blij mee. Er zijn ook vissen die alleen maar op poetsvissen lijken. Die komen niet poetsen, maar eten de grotere vis zelf op.