
De brand is geblust. Nu nog nablussen en opruimen.
Alarm!
Je ziet een felrode wagen rijden. Er flitsen blauwe zwaailichten en er klinkt een harde sirene. Dat is de brandweer en ze hebben veel haast. Al het verkeer moet zoveel mogelijk rechts gaan rijden. Dan kan de brandweer over het midden van de weg. Met de sirene aan mogen ze zelfs door rood rijden. Al het andere verkeer moet dus extra goed opletten. De brandweer met haast moet mensen redden. Er woedt een gevaarlijke brand. Of er is een ongeluk gebeurd. De brandweermensen helpen de ambulance. Soms gaan de deuren van een gebotste auto niet open. Brandweermannen knippen de verongelukte auto dan open. Ze duiken naar drenkelingen of ze takelen een trein op.
Soorten brandweerauto’s
Alle brandweerauto’s zijn brandweerrood. Dat is een felle opvallende kleur. Er zijn natuurlijk blusauto’s met brandslangen en water. Er zijn ladderwagens met een lange uitschuifbare ladder aan boord. Zo kan de brandweer bij hoge gebouwen redden en blussen. Er zijn hulpverleningswagens. Zij helpen bij auto-ongelukken en bij bijzondere branden. Benzine- en chemische branden mogen niet met water worden geblust. Wel met schuim. Alle wagens hebben felle schijnwerpers: ook ’s nachts wordt er geblust.